Water voor de olifanten

Water voor de olifanten van Sara Gruen begint met een moord. Die moord, die ben je als lezer eigenlijk snel weer vergeten. Dat komt omdat de auteur je aan de hand van Jacob Jankowski meetrekt in de fascinerende wereld van het circus. Het verhaal heeft twee verhaallijnen: de ene speelt zich anno nu af, als Jacob een wat vergeetachtige (‘Ik ben negentig, of drie├źnnegentig. Een van de twee’.) maar ook opstandige man is geworden die in een verpleeghuis zijn dagen slijt. Jacob kijkt terug naar de periode dat hij als 23-jarige (in de crisisjaren van de twintigste eeuw) bij toeval terecht kwam in de wereld van het rondreizende circus.

In de twee verhaallijnen past Gruen een duidelijk verschil in taalgebruik toe, dat maakt van het boek een aparte gewaarwording. De jonge Jacob bedient zich van eenvoudige woorden en zinnen, de oude Jacob is complexer in z’n taal(gebruik).

Wat volgt is een ontroerend mooi en aangijpend verhaal. Het gaat over mensen met liefde voor hun vak, over rangen en standen, over bullebakken, over dierenmishandeling, over publiek dat bedrogen wordt, over het rariteitenkabinet, over verboden liefde, over schizofrenie en uiteraard over Rosie, de cirsusolifant. Beide verhaallijnen eindigen ook nog ‘ns verrassend!

Er is werkelijk geen enkele reden om dit boek NIET te lezen!