Alles is verlicht

Zo’n twee jaar geleden las ik ‘Extreem luid & ongelooflijk dichtbij‘ van Jonathan Safran Foer. Dat boek vond ik waarlijk prachtig en mag wat mij betreft een klassieker worden.

Ik kocht ‘Alles is verlicht‘ als dwarsligger. Bij bol.com staat de volgende beschrijving over het boek:

In de zomer na zijn afstuderen reist een schrijver (Jonathan Safran Foer) naar het oostelijk deel van Europa. Slechts gewapend met een vergeelde foto gaat hij op zoek naar Augstine, de vrouw die al dan niet een schakel is met zijn grootvader die hij nooit heeft gekend – de vrouw die zijn grootvader, zo is hem verteld, uit de handen van de nazi’s heeft gered.

Vergezeld door de onvergetelijke Alex, zijn jonge Oekraïnse gids en tolk die behept is met een komisch spraakverwarrend accent, maakt Jonathan een donquichotachtige zoektocht door een verwoest landschap, terug naar een onverwacht verleden.

Verweven door dit verhaal is de roman die de schrijver aan het schrijven is: een betoverende legende over zijn grootvaders dorp, een sjtel, in de Oekraïne, een lappendeken van verbijsterende overeenkomsten die de generaties door de tijd heen verbindt.

Gepassioneerd, vol verbeeldingskracht en gekenmerkt door een onuitwisbare humaniteit; Alles is verlicht ontgint de zwarte gaten in de geschiedenis en is uiteindelijk een verhaal over het zoeken naar mensen en plaatsen die niet langer bestaan, naar verborgen waarheden die iedere familie overschaduwen en over de broze, maar noodzakelijke verhalen die verleden en de toekomst met elkaar verbinden.

Wat vind ik nu eigenlijk van dit boek? Ik vind het veel minder indrukwekkend dan Extreem luid & ongelooflijk dichtbij. En dat is best raar want er staan prachtige stukken tekst in Alles is verlicht. Misschien is het toch weer dat eeuwige ik-ben-niet-zo-goed-met-literatuur-gevoel dat ik bij dit boek heb. Sommige stukken tekst zijn zo nauwelijks te volgen (tenminste ik kan ze nauwelijks volgen) of zo gruwelijk overdreven vreemd of bewust shockerend. Ik kan daar niets mee, ik begrijp het niet.

Aan de andere kant, sommige alinea’s zijn prachtig, indrukwekkend, keihard of bitterzoet. Ook de layout van het boek maakt dat je helemaal ín de sfeer duikt. Angst of verdriet wordt in lange, lange, zinnen duidelijk gemaakt. Hoofdletters en leestekens verdwijnen, het lijkt alsof je opgenomen wordt in de cadans van het boek. Dat maakt het toch weer heel apart.

Het onderstaande stukje geeft wat mij betreft heel goed de soms wat wazige-maar-toch-heel-intiem/mooie-sfeer van het boek weer. Een personage in het boek krijgt de zorg over een babietje. Hij neemt het kindje mee naar huis:

Ze kreeg een bedje van gepropt krantenpapier, in een diepe braadslee die hij in de oven zette zodat ze niet gestoord werd door het geklater van de kleine waterval buiten. Hij liet de ovenklep omlaag en zat vaak urenlang naar haar te kijken, alsof hij het rijzen van een brood volgde. Hij zag haar borstje op en neer gaan, zag hoe ze haar vingers tot vuistjes balde en weer ontspande, zag hoe ze soms zonder waarneembare reden haar oogjes samenkneep. Zou ze ergens van dromen? Vroeg hij zich af. En zo ja, waar zou een baby van kunnen dromen? Van het leven voor dit leven, waarschijnlijk. Zoals ik al weleens droom van het leven, na dit leven. Als hij haar uit de oven haalde om haar te voeden of zomaar vast te houden, was haar lichaampje getatoeëerd met krantenkoppen.

Of dit stukje waarin een voorvader van Safran en zijn bruid gaan wonen in een huis naast een waterval (ook de waterval in het stukje hierboven). Een waterval die een oorverdovend geluid produceert dat maakt dat het niet bepaald tof is om in dat huis te wonen.

En ik zal je vertellen, ook al was het altijd hartstikke klam binnen, en was de voortuin altijd één grote modderzooi door het opspattende water, en moesten de muren elk half jaar opnieuw gepleisterd worden, en kwam er het hele jaar door een sneeuw van verfbladders van de plafonds, het bleek toch waar te zijn wat ze zeggen van mensen die bij een waterval wonen.

Wat zeggen ze dan? Vroeg mijn grootvader.

Dat mensen die bij een waterval wonen het water niet horen.

Zeggen ze dat?

Dat zeggen ze, ja, en het klopt ook. Kijk, je betbetovergrootmoeder had wel gelijk, hoor, in het begin. Toen was het vreselijk. Wat een herrie! Je kon maar een paar uur aan een stuk binnen zijn. In de eerste twee weken deden we ‘s nachts amper een oog dicht en maakten we zoveel mogelijk ruzie om dat water maar te overstemmen. Ruzie maken was de enige manier om elkaar aan onze liefde te herinneren, om onszelf te bewijzen dat we elkaar niet onverschillig lieten.

Maar in de weken erna werd het al wat beter, konden we elke nacht al een paar uur slapen en werden de maaltijden niet al te erg meer verpest. Je betbetovergrootmoeder vervloekte het water nog steeds, maar minder vaak, en met minder woede. Het water was nog steeds een vijand, maar niet meer zo’n monster. En haar aanvallen op mij werden ook milder. Het is jouw schuld, zei ze alleen nog maar. Jij wilde hier komen wonen.

En het leven ging verder, wat het leven nou eenmaal doet, en de tijd verstreek, wat de tijd nou eenmaal doet, en dik twee maanden later zaten we op een ochtend samen aan tafel, wat we al niet al te vaak meer deden, en ik vroeg: hoor je dat? Ik zette mijn koffie neer en stond op. Hoor je dat, Brod?

Wat moet ik horen? vroeg ze.

Precies! riep ik uit. En ik rende naar buiten en balde mijn vuist naar de waterval. Precies! We gingen in het water staan dansen, gooiden er handenvol van in de lucht, en we hoorden niks. We vielen elkaar in de armen en schreeuwden overwinnningskreten naar het water. Wie heeft er nou gewonnen, hè? Wie heeft er gewonnen, waterval? Wij! Wij!

En zo is het om bij een waterval te wonen, Safran. Net zoals iedere weduwe op een ochtend wakker zal worden, na jaren van constant verdriet misschien wel, en dan opeens moet vaststellen dat ze de hele nacht heeft doorgeslapen en dat ze trek heeft in een ontbijt en niet meer voortdurend de geest van haar overleden man hoort rondspoken, alleen nog maar af en toe. Elke ouder die een kind verliest zal ooit een manier vinden om weer te kunnen lachen. Het snerpende trekt eruit. De rand wordt minder scherp. De pijn wordt minder. En zo is elke liefde uit verlies gesneden. De mijne was het. De jouwe is het. Die van je achterachterkleinkinderen zal het zijn. Maar we leren te leven met die liefde.

Er zitten veel van dit soort pareltjes in het boek. Maar ook, zoals ik hierboven al schreef, een aantal onbegrijpelijke stukken.

Zou dit boek iets voor jou zijn?