Verhuizen

Zou het nu weer allemaal normaal worden? Of nou ja, een beetje meer normaal. Want met daddy weet je het nooit natuurlijk. Ik kan niet zeggen dat ik de laatste jaren fijn vond dus het wordt vast beter nu. Gek eigenlijk, vier jaar geleden vond ik het toch best stoer, dat grote huis, de aandacht. Maar dat is snel veranderd. Ik vond het er verschrikkelijk, ik vond de eenzaamheid verschrikkelijk, de gouden kooi, maar ook hoe hij deed.

Het is wel lastig hoor, ik houd van die ouwe, hij is tenslotte mijn vader. Maar vaak voelde ik me de volwassene terwijl hij zich als een soort ontevreden en dreinerig kind gedroeg: en hé, ik ben veertien. Zo moet het toch niet zijn? De eerste twee jaar had ik het nog niet zo in de gaten, maar langzamerhand vond ik het gênant worden en schaamde me ik best vaak. Mummy zegt dat kinderen zich altijd voor hun ouders schamen, maar zou iemand zich zo erg schamen als ik?

Het is ook zo verrekte lastig als niets privé blijft: alles wat hij deed, of juist niet deed, kwam op straat te liggen. Iedereen had een oordeel en vaak wakkerde hij het nog aan ook. Snappen de mensen dan niet hoe dat op mij overkomt? Of op mummy en de rest? Dat het zeer doet?

Mummy zei af en toe wel dat de andere kinderen het beter konden handelen, ze zijn tenslotte al volwassen, maar het is toch gewoon klote als ze zo over je pa praten? Ik ben blij dat ik de laatste tijd bij opa en oma mocht wonen, dat was heerlijk. Maar nu moet ik mee naar Mar-a-Lago en ik weet niet of ik dat fijn vind. Ik denk dat mummy binnenkort de scheiding aanvraagt. Dan ga ik met haar mee.


Op 26 april 2019 plaatste Willem de laatste opdracht voor de WE-300. Voor mensen die niet weten wat WE-300 betekent: schrijf in exact 300 woorden een verhaaltje over het opgegeven onderwerp. De laatste WE-300 had als onderwerp: ‘Aanslag‘.

Lange tijd deed ik mee met de WE-300 maar op een gegeven moment kwam de klad er wat in. Maar vandaag vond ik toch ergens in een hoekje wat inspiratie.

Ik moet trouwens regelmatig aan Willem denken: hoe zou het toch met hem zijn …

Open brief aan heel rijke en daardoor waarschijnlijk ook machtige mensen

Beste heel rijke en daardoor waarschijnlijk ook machtige meneer of mevrouw,

Ik schrijf u een open brief om u te melden dat ik niet heel veel van u begrijp. Dat ik niet heel veel begrijp van uw nijpende wens om steeds rijker en machtiger te worden. Heus, ik begrijp daar niets van. Wat is daarvan dan het nut? Wordt u daar per definitie gelukkiger van?

Natuurlijk, ik ken u niet. Ik ken uw beweegredenen om te doen wat u doet niet. En uiteraard zal het gros van u van goede wil zijn. Maar toch. Waarom dan steeds meer, meer, meer?

Heeft u kinderen? Kleinkinderen misschien? Denkt u nooit aan hun toekomst? Of gaat u ervan uit dat u, mocht de nood ooit écht aan de man komen, u uw familie en uw dierbaren wel kunt beschermen tegen die rampspoed. Heeft u in uw tuin een bunker die bestand is tegen de grootste natuurrampen, de heftigste oorlog. Een bunker vol met luxe, voorraden voor tientallen jaren, ongetwijfeld een zwembad, sauna en wat u nog meer nodig denkt te hebben. Zodat u en uw geliefden die rampspoed zult overleven. Maar hoe zit het dan met ons, arme stumperds. Of mijn kinderen en kleinkinderen?

Denkt u nooit aan de toekomst van al die miljoenen en miljoenen andere mensen? Mensen die het ongeluk hebben (al weet ik niet of het een ongeluk is natuurlijk) om niet zoveel geld op de bank te hebben, mensen die maar wat aanmodderen, maar tegelijk dus ook die mensen die waarschijnlijk deels de prijs betalen voor uw rijkdom en macht? Natuurlijk chargeer ik, en ik weet ook heus wel dat ik u niet allemaal over een kam mag scheren. Maar schaamt u zichzelf niet als u zich realiseert dat u, samen met een aantal anderen, net zoveel bezit als pak ‘m beet 80% van de wereldbevolking. Schaamt u zich dan niet kapot? Schaamt u er zich niet voor dat u alleen maar rijker lijkt te willen worden. En machtiger? En dat vaak ten koste gaat van heel veel. Ten koste van andere mensen, ten koste van natuur en milieu? Schaamt u zich daar niet voor? Wanneer heeft u genoeg? Bent u nou nooit ‘ns tevreden? Nee, echt niet, ik ben niet jaloers, bij lange na niet. Ik zal eerlijk bekennen: soms droom ik ook wel van de jackpot, maar ik zou me geen raad weten met zoveel geld. Ik zou er denk ik zeker niet gelukkiger van worden.

Uiteraard begrijp ik best dat al dat geld dat u waard bent waarschijnlijk deels vast zit in bedrijven, onroerend goed, niet bestaand geld waarmee u nog meer geld maakt en wat dies meer zij. Maar ik weet zeker dat u ook nog gewoon heel veel geld op de bank heeft staan. Veel meer dan dat u ooit uit zult kunnen geven. Veel meer dan dat u, uw kinderen, kleinkinderen, achter-et-cetera-kinderen ooit op zullen kunnen maken. Ongetwijfeld zult u ook best af en toe goede doelen steunen, misschien stopt u daar wel heel veel geld in waardoor u heel veel goeds doet en dat juich ik uiteraard van harte toe. Waarschijnlijk heeft u af en toe ook wel het idee dat u het toch nooit goed doet in de ogen van al die minder bedeelde of minder machtige mensen. Dat kan best. Dat weet ik niet. Ik sta immers niet in uw schoenen.

Weet u, ik vind het maar oneerlijk verdeeld allemaal. En er zijn een heleboel dingen die mij best wel zorgen baren. Ik denk dat ik dan ook nog wel wat meer open brieven zal gaan schrijven. Open brieven die waarschijnlijk door niemand gelezen zullen worden, en die eigenlijk nooit volledig zullen benoemen wat ik wil zeggen. Wat ik wil zo ontieglijk veel zeggen. Tegen zoveel mensen in de wereld. Tegen rijke mensen, asociale mensen, lieve mensen, arme mensen, oneerlijke mensen, grove mensen. En ik zou ook zoveel tegen mezelf willen zeggen. Sterker nog: ik zeg al heel veel tegen mezelf. Tegelijk weet ik dat ik dat wat ik wil zeggen nooit allemaal op papier zal krijgen. Er is gewoon niet genoeg ruimte voor beschikbaar. Het zou waarschijnlijk ook totaal onbegrijpbaar worden en een eventuele nuancering zou ook ontbreken. Waardoor het er maar staat te staan. En misschien/waarschijnlijk niet begrepen zal worden. Of misschien toch wel. Maar resultaat zal het niet hebben, dat staat wel vast. Het enige resultaat is dat ik het nu even kwijt ben. En dat is fijn.

Nou dag dan maar rijke en machtige meneer of mevrouw en met heel vriendelijke groeten,

Mrs. T.

Vibraties

Haar ogen vangen zijn mond en absorberen de bewegingen van zijn lippen. Ze kijkt naar zijn expressieve gezicht en voelt zich de gelukkigste vrouw op aarde. Hij is er. Voor haar. Hij ziet haar. Hij ziet haar zoals ze echt is. Niet de vrouw die velen zien, niet de vrouw waarmee men medelijden heeft, die men ontloopt en niet recht in de ogen kijkt.

Zijn hand komt omhoog, ‘mag ik?’ zeggen zijn lippen? Ze knikt. Langzaam strijkt hij met zijn vingertoppen over haar huid, koele vingers beroeren haar littekens. Ze huivert. Wil haar gezicht wegdraaien. ‘Nee’, seint zijn mond, ‘wees niet bang’. Deze aanraking is meer dan ze ooit durfde hopen. Het is jaren geleden dat het ongeluk haar haar leven afpakte en haar een ander leven teruggaf. Een getekend gezicht en een verloren gehoor.

Eenzaamheid volgde. Zelfgekozen eenzaamheid omdat ze dacht dat dat beter was. Stilte. Altijd. In haar hoofd echter is het nooit stil. Ze herinnert zich de geluiden: hoe stemmen klonken, het geruis van de wind door de bomen, kletterende regen, het geluid van een lachend kind, haar favoriete muziek van Brahms. Zoveel geluiden en klanken. Ze smeedt ze samen tot een prachtige compositie. In haar hoofd. Voor haar alleen. Ze geniet zoals ze vroeger nooit genoot. Alles is intenser nu, in haar stille leven.

En dan ontmoet ze hem. Zomaar, onverwacht, ’s nachts tijdens een grootste storm. De lucht was donker, de bliksem flitste. Ze stond wijdbeens op het strand, haar armen geopend, dacht dat ze alleen was, omarmde het geweld en danste ermee.  En toen stond hij voor haar. Keek haar afwachtend aan als vroeg hij toestemming samen met haar verder te walsen. Een week geleden was dat nu. Sindsdien is ze niet meer alleen geweest. Heeft ze haar stille soulmate gevonden. Voor altijd.

* * *

De WE-300 had dit keer als onderwerp ‘musiceren’. Wil je de andere WE-300’s ook lezen? Klikkerdeklik!

Cold Turkey

Ze had zich, een soort van, buiten zichzelf geplaatst. Gewoon, omdat dat de beste manier was om om te gaan met wat er gebeurde. Als ze deed alsof het haar niet aanging, alsof het niet om haar ging, dan was het te dragen. Amper. Maar het was te dragen. Als ze keek naar hoe het moest, als ze alleen maar dacht aan de weg die voor haar lag, dan kreeg ze het koud en verloor ze bijna de moed.

Ze keek naar haar handen; trillend. Haar benen, wit en mager vol rode vlekken. Haar nog ingevallen buik die prima  paste bij haar uitstekende heupbotten. Ze streek over haar haren en voelde de vettigheid. Het was maar goed dat ze niet kon zien hoe haar gezicht er uitzag. Ongetwijfeld zou haar gezicht ingevallen zijn, haar ogen bloeddoorlopen, haar huid vaal en beschadigd.

En toch lukte het haar te doen alsof haar lijf niet het hare was. Ondanks de continu zeurende pijn en de spasmes die af en toe door haar lijf trokken viel het tot nog toe mee. Op de een of andere manier maakte haar dat trots.

Ze dacht terug aan hoe het ooit begonnen was. Onschuldig met een jointje, hoe het uit de hand gelopen was. Radicaal. Hoe ze loog, bedroog, haar lichaam verkocht, alles voor dat ene shot. En dat volgende shot, en…

Korte vergetelheid, haar ellende achter zich laten. Ze voelde zich wegglijden. Had daar vrede mee, tot ineens, het daar was. Ze had niet kunnen denken dat ooit te zullen meemaken. Zich nodig te weten. Te weten dat ze verantwoordelijk werd voor een ander. Een onschuldig klein wezentje. Nog veilig in haar. Ze moest het veilig houden en ter wereld brengen. Ze zou zorgen dat ze beter werd en het kleintje koesteren en grootbrengen.

* * *

De WE-300 had dit keer als onderwerp ‘gezondheid’. Wil je de andere WE-300’s ook lezen? Klikkerdeklik!

Racekak

Oh mijn god, oh mijn god, oh mijn … Oh nee, oh nee. Ik ga het niet houden, ik ga het niet houden!. Vertwijfeld drukte Bas zijn benen nog dichter tegen elkaar. Hij voelde kramp opkomen in zijn kuiten terwijl hij tegelijkertijd het wiebelen van zijn lijf nauwelijks kon onderdrukken. Oh jemig, oh jemig, help! Wat moet ik nu? Oh … pffft … shit!.

Zijn buik rommelde en borrelde, hij voelde het zuur omhoog komen en tegelijkertijd werd de drang alles maar te laten lopen nog groter dan deze al was. Bas keek vertwijfeld om zich heen. Het was al laat en het park leek verlaten, maar toch waren er nog wat mensen. Een verliefd stelletje een eindje verderop had nergens oog voor, een paar jongeren leken hem nauwlettend in de gaten te houden.

Hij moest het kwijt, maar durfde dat tegelijkertijd niet hier te doen. Te bang dat ook maar de minste beweging alle remmen … Klopte dat, leek een van de jongeren naar hem toe te komen? Oh verdomme, wat moest hij nou? Wat nu als ze rotzooi wilden trappen? Hij was nu echt niet in staat om ook maar iets te doen. Niet nu, nu er maar één ding was dat hem op zou luchten.

De jongen stond nu voor hem. Bas verstond hem niet, zo vertwijfeld probeerde hij zijn lijf onder controle te houden. ‘Hé gozer, gaat het wel goed met je? Kan ik je helpen?’, de jongen stelde zijn vraag nog een keer. ‘Zo’n buikpijn, zo’n buikpijn … ik ga … kapot. WC. Moet WC’, perste Bas eruit. ‘Zo’n pijn’. Zijn darmen leken uit elkaar te spatten, hij voelde zijn wil verslappen.

‘Gast, kalm maar. Ik woon hier in de straat. Kom. Dan kan je … oh nee gatverdamme!’ Bas had de strijd verloren.

* * *

De WE-300 had dit keer als onderwerp ‘spellen’. En tja, dat bekent ook nog zoiets als dit. Wil je de andere WE-300’s ook lezen? Klikkerdeklik!

Uitgespeeld

Oh man, man, man. Hoe is het toch mogelijk. Hoe is het toch mogelijk! Godsklere, wat een blamage, wat een ellende, wat een teleurstelling. Oh man, man. Wat een ellende gaat dit worden. Weer die verwijten, weer dat gezeur, weer die pers, weer die verongelijke gezichten.

Oh man, Louis, wat is er toch gebeurd met die jongens? Hoe is het toch mogelijk dat werkelijk niets lijkt te lukken. Hoe is het verdomme toch mogelijk! Alles geprobeerd, alles gedaan. Zonder resultaat, zonder ook maar een succesje. Ik kan mijn boeltje wel gaan pakken morgen. Of misschien spreken ze nog wel even hun vertrouwen uit, maar lang kan het niet meer duren.

En daarbij, vertrouwen? Ha, laat me niet lachen. Het is volgens mij onmogelijk iets fatsoenlijks van dit team te maken. Individueel zijn het kanjers, maar een team? Nee. En waarom niet? Geen idee. Ik krijg er de vinger niet achter.

Ze kijken me allemaal doods aan in de kleedkamer. Knikken ja, nee, amen. En dat is het. Zoveel kansen gehad vandaag, geen een verzilverd. En dan in de eerste helft verdomme twee goals tegen en dan die rode kaart. Godver, iedereen weet toch dat het veel lastiger voetballen is tegen tien. Die gasten gaan met z’n allen in de goal liggen nou. Daar is geen doorkomen meer aan.

Mijn hemel, hoe heeft het toch zover kunnen komen? Ik begrijp er de ballen niet van. Zulke mooie voetballers en dan deze resultaten. En als ik het woord ‘pech’ dan in mijn mond neem, dan valt heel Nederland over me heen, inclusief die bloedhonden van de pers. Neersabelen dat doen ze. En die 16.000.000 stuurlui net zo goed. Wat een verschrikking. Waarom heb ik dit in godsnaam ooit gewild? Ik moet op zoek naar een nieuwe job, dat lijkt me duidelijk.

* * *

Ik nam maar even een voorschotje op het eindresultaat van de wedstrijd. En  hoop stiekem toch nog steeds dat ik ongelijk krijg (het is nu 13 oktober, 22.01 uur).

De WE-300 had dit keer als onderwerp ‘nadenken. Wil je de andere WE-300’s ook lezen? Klikkerdeklik!

Verlammen

Tevreden zit hij boven op het dak van de woning. Hij kijkt naar de gebouwen rondom hem. Een aantal is met de grond gelijk gemaakt. De woning waar hij zich bevindt is behoorlijk gehavend, maar voor zijn doel meer dan geschikt. Daarbij, niemand zal vermoeden dat hij en zijn commandocentrum zich hier bevinden.

Yoessef verschijnt zoals alleen Yoessef dat kan: steels en onverwachts. Iedere keer neemt hij zich voor zich niet meer door hem te laten verrassen, maar steeds mislukt dat. Dat zint hem niets, maar hij heeft Yoessef nodig. ‘Breng je me goed nieuws, mijn vriend?’ vraagt hij Yoessef. Yoessef grijnst, zijn angstaanjagende kop wordt er nog afstotelijker door.

‘Ze weten niet meer hoe ze het moeten doen, we ontwrichten de volledige westerse samenleving. De landen waar ze binnenkomen zijn totaal in paniek, de EU en haar leiders weten niet hoe te reageren. We zaaien tweespalt op alle fronten. De zaken gaan voorspoedig’. Het klinkt als muziek in zijn oren.

De beelden die hij op het af en toe functionerende internet ziet doen zijn hart goed. Vluchtelingen, overal vluchtelingen, schrijnende beelden, wanhopige mensen, woedende mensen. Hoe is het toch eigenlijk mogelijk dat ze nooit eerder op het idee zijn gekomen ook op deze manier hun oorlog te voeren.

Zijn vader zei altijd ‘doodt niet, verwondt. Dat legt de vijand lam’. Dat doen zij nu ook. Door de vele wanhopige mensen die ze op de boten zetten verlammen ze de westerse samenleving. Daarbij ruimt het hier in zijn land ook lekker op. De mensen die ze laten gaan zijn toch van geen enkel nut voor de toekomst van zijn land. Verkeerd geloof, verkeerde achtergrond en totaal overbodig. Hoe geweldig is het dan wel niet dat ze er ook nog flink aan verdienen? ‘Wanneer vertrekken de volgende boten?’ vraagt hij Yoessef.

* * *

De WE-300 had dit keer als onderwerp ‘handelen’. Wil je de andere WE-300’s ook lezen? Klikkerdeklik!

Over

Hij zat nu al enige tijd op het toilet zijn tijd op te vullen. Maar ach, wachten had hij nooit erg gevonden. Het was ‘part of the job’ en hij was eraan gewend geraakt.

Hij bedacht zich dat hij nu echt dingen voor het laatst aan het doen was. Gisteren had hij zijn moeder voor de laatste keer aan de telefoon gehad. Hij was ervan overtuigd dat ze geen idee had dat het de laatste keer was, hij was even vriendelijk als altijd, de goedlachse en tevreden zoon.

Zes jaar geleden was dat wel anders geweest, hun zorgen om hem waren groot. Benauwend ook, maar uiteindelijk leek het erop dat hij toch zijn weg terug weer gevonden had. Hij voltooide zijn opleiding, deed nog meer ervaring op en leefde zijn leven. Niet opvallend, nooit opvallend. Dat paste hem niet. Dat wilde hij niet.

Hij had een aantal collega’s die hij vrienden noemde, maar klopt dat wel? Af en toe had hij een date, maar daar bleef het bij. En nooit, nóóit gaf hij zich. Hij wilde niet dat iemand hem kende, écht kende. Hij keek wel uit, dat maakte veel te kwetsbaar. Niemand kende zijn pijn, het besef niets waard te zijn. Niemand wist hoe verschrikkelijk zijn kindertijd was geweest, daar praatte hij niet over. Het was een grote brij van akelige herinneringen. Hij was compleet kapot gemaakt. Altijd was er dat stemmetje: ‘het is daar beter, veel beter. Kom. Kom snel’. Hoe hij het ook probeerde, dat stemmetje bleef hem achtervolgen.

Wanhoop put uit. Hij was zo moe, zo moe. Dit leven van onoprechtheid zo moe. Hij wilde dit niet meer en had zijn besluit genomen. Hij stapte er uit en zijn daad zou met niets te vergelijken zijn. Hij verliet het toilet en liep richting de gate.
___________________________________________________________________________

De WE-300 had dit keer als onderwerp ‘evenaren’. Wil je de andere WE-300’s ook lezen? Klikkerdeklik!